Kennisgroepstandpunten en de Belastingdienst

In 2020 en 2021 heb ik in enkele blogs en bijdragen aandacht gevraagd voor de statutaire borging van de fiscale positie van zorginstellingen, en dan met name in relatie tot toepassing en behoud van de zogeheten ‘zorgvrijstelling’ voor de vennootschapsbelasting.

Over dit onderwerp zijn per eind maart 2023 door de Belastingdienst twee standpunten gepubliceerd. In deze zogeheten ‘kennisgroepstandpunten’, geeft de Belastingdienst nadere uitdrukking aan en duiding over de wijze waarop naar zijn mening uitleg moet worden gegeven aan de bestaande wet- en regelgeving. En dus ook de wijze waarop de voorwaarden uit het gemoeide jongste beleidsbesluit (van 27 juli 2022, nr. 2022-8874) moeten worden bezien. Ik merk hierbij op dat de publicatie van deze kennisgroepstandpunten uitdrukkelijk geen nieuw formeel fiscaal beleid vormen voor de zorgsector. In zoverre staat het belanghebbenden dus ook vrij om er een afwijkende zienswijze op na te houden, zo lang dat standpunt althans maar ‘pleitbaar’ is; als sector en als betrokken adviseurs nemen we dus best maar kennis van de zienswijze van de kennisgroep, al was het maar omdat deze de positie van de Belastingdienst nader definieert en de manoeuvreerruimte van de eigen inspecteur praktisch vaak beperkt.

Op voorhand komt de inhoud van de beide kennisgroepstandpunten over als weinig verbazingwekkend. Enerzijds is deze formeel en strikt in het standpunt ter zake de winstbestemmingseis voor een Zorg-BV zonder kwalificerende aandeelhouders. De enkele statutaire beperking van mogelijkheden tot winstuitkeringen aan ‘een ander op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang’, is onvoldoende voor de Zorg-BV om de zorgvrijstelling te kunnen toepassen. Anderzijds is de interpretatie van de werkzaamhedeneis ruim in een ander gepubliceerd standpunt. De wijze waarop een aandeelhoudende stichting daarmee binnen een zorgconcern toch fiscaal kwalificerende zorgwerkzaamheden kan vervullen, kan onder omstandigheden bijvoorbeeld bestaan in

  1. het houden van een deelneming in een (met vennootschapsbelasting) belaste B.V.,
  2. het ter beschikking stellen van vastgoed aan Zorg-B.V.’s en/of
  3. het verrichten van ondersteunende functies binnen het zorgconcern.

Volgens de kennisgroep blijft daarbij van belang met name dat de stichting de zorgactiviteiten bevordert binnen het concern waarvan zij deel uitmaakt.

Mocht u of (onderdelen van) uw zorginstelling worstelen met de vraag hoe toepassing van de zorgvrijstelling vennootschapsbelasting het beste te borgen, dan kunt u desgewenst contact met mij opnemen.

Utrecht, 12 juni 2023

Bijdrage

Jos van Bavel

Fiscaal specialist